Thema's
Tegenslag

Aan de Maas

Picture of August
Ontmoetingen door August de Leeuw 27 September 2014

Een lome zondagmiddag, gevuld met pogingen los te breken uit de walmen van de voorgaande avond, eindigt in een zuchtend zwijgen aan de oevers van de Maas. Een treurige plastic fles ligt tussen de graspollen in een modderpoel, ontstaan door de afgelopen regenbui die alle vuiligheid uit de straten van de stad naar de rivier heeft gebracht en een scherpe wind die de herfst nog maar weer eens aankondigt weerhouden me er niet van te genieten van de zonnestralen. Met gesloten ogen weerklinkt alleen het gebabbel van het water en voorzichtige, wankele voetstappen achter me.

Een donkere, broodmagere man met honderden kleine krulletjes voor kapsel en een ongevaarlijke houding. De versleten groene jas neemt naast me plaats en een tijd staren we in stilte naar de rivier die de stad splijt.
Lege ogen schieten rond het tafereel, rusteloos op zoek naar iets wat hun honger kan stillen.
Ik graaf in mijn boodschappentas en bied hem een stuk fruit aan. Hij wijst het af.

“Het is erg,” tjilpt hij plots, alsof hij een mus in zijn keel verstopt heeft.

Als ik hem vraag wat erg is, lijken zijn gedachten weer afgedwaald naar belangrijker zaken.

“Ik houd mijn adem in en mensen sterven,” zegt hij na een tijdje. Ik knik.

“Mensen sterven,” bevestig ik, in de hoop dat hij zijn statement zou onderbouwen. Hij schudt zijn hoofd levenloos en steunt zijn torso met één hand op een gescheurde broek.

“Je moet blijven ademen,” mompelt hij, “Ik wil geen mensen niet doodmaken. Blijven ademen.” Het lijkt mij een goed moment om de man alleen te laten met zijn mijmeringen, en pak mijn boodschappentas van de grond. Dan ademt hij luid in door zijn neus, alsof hij probeerde zijn hoofd te bevrijden van de wanorde die uit zijn mond was gevallen.

"We zijn schurken in denial. Maar we weten het niet."

“We zijn slecht,” zegt hij wat luider, en kijkt me ernstig aan. Niet kwaad, niet angstig, maar serieus. Alsof hij eindelijk weet hoe hij zijn meningen moet verwoorden.

“Schurken in denial, man. Maar we weten het niet. Hoe weten wij of wij slecht zijn?”

“Dat kunnen we niet weten,” zeg ik, na een kort moment waarin ik zocht naar een beter antwoord. Hij wijst met zijn vinger naar me en knikt langzaam.

“Driekwart van alles is slecht. Maar misschien is dat ook wel goed.” De dubbelzinnigheid slaat me om de oren en brengt een maalstroom van gedachten in me teweeg.

Maar het zijn de gedachten van deze oeverloze zwerver die boeien, niet die van een student.

“Je bedoelt,” begin ik, “Dat wat iedereen slecht noemt eigenlijk goed is?”

“Dat kunnen we niet weten,” mompelt hij, en sluit zijn ogen. Hij gaat zitten tussen de graspollen en keert zijn gezicht naar de zon.

“Het is erg,” herhaalt hij, en overpeinst het lot van de wereld.

Aan de Maas
Terug naar het overzicht