Thema's
Tegenslag

Een drieluik bij de vuilbak

Picture of August
Beeld door August de Leeuw 2 April 2015

Vandaag hield de zon maar niet op met schijnen. Het was een vrije dag, en na de nodige boodschappen besloot ik de stad Maastricht te doorkruisen en even in België langs te gaan, om te zien hoe het er daar aan toe ging. Ik had bijna de grens bereikt toen ik in gesprek raakte met een tachtiger die afval in een vuilbak poogde te stoppen vanaf zijn scootmobiel.
Dit was Jo, een inmiddels gepensioneerde “Mestreechteneer”.
Hij was geboren in Valkenburg, waar hij opgroeide met zijn twee zussen en drie broers.
“Dood, alle drie,” zegt hij opgewekt, “En nu ben ik de oudste broer. Mijn zus is iets ouder dan ik, die woont hier in de buurt.”
De dood is voor Jo schijnbaar geen reden om te mokken. Zijn vrouw is vorig jaar overleden, en zijn dochter dertig jaar terug. De een links, de ander rechts van zijn toekomstige graf, zegt hij luchtig en legt uit waar hij van plan is voorgoed te gaan liggen.

Het is toch erg waar zij heen gaan

Zijn onverschilligheid wordt alleen uit balans gebracht door een jongen die in zijn appartementencomplex woont, en altijd met gestolen fietsen thuiskomt. Daarenboven zet de jongen zijn ontvreemde spullen voor de deur van de weduwnaar.
Dan komt er een woede in Jo naar boven waar niemand mee te maken wilt hebben.
Onlangs heeft hij nog een hamer uit zijn garage gepakt en heeft daarmee het hangslot van zo een gestolen fiets kapot geslagen en het apparaat tegen de deur van de dief gezet.
“Het is toch erg waar zij heen gaan,” zegt Jo, en kijkt even naar zijn herinneringen.
Zijn moeder heeft hem opgevoed met een gouden standaard; geen dingen aanraken die jou niet toebehoren. In Valkenburg, toen Jo nog jong was, had hij ooit een appel uit een boomgaard gestolen en was ermee thuis gekomen. Toen zijn moeder hem vroeg hoe hij eraan kwam, zei hij dat hij het van de grond had opgeraapt. Zijn moeder sloeg de vrucht uit zijn handen, met de waarschuwing dat er dan honden overheen hadden gepiest.
Niets van de grond eten, niets stelen, en zorg voor elkaar.

Jo’s vrouw was een verzorgster, wist hij me te vertellen, en hun liefde voor het helpen van mensen was wat hun bij elkaar bracht. Zij reisde van Sittard naar België, wilde daarheen verhuizen, maar moest overstappen op het station van Maastricht.
Haar tweede trein had vertraging en toen ze koffie ging halen ontmoette ze Jo.
Zijn grijze, kwikachtige ogen leken even doffer te worden toen hij aan dat moment terugdacht.
Als er zestig jaar terug geen vertraging was geweest hadden zij elkaar nooit ontmoet, en had Jo haar nooit overgehaald met hem in Maastricht te gaan wonen.
Dan had de brutale jongen zijn fietsen voor de deur van iemand anders geplaatst.
Jo knipperde een paar keer en keek naar de blauwe lucht.
“In september wordt ik eenentachtig,” zei hij, “Het zou tof zijn als ik dat haalde.”

Een drieluik bij de vuilbak
Terug naar het overzicht