Thema's
Open

Een verhaal

Picture of Redactie
Monoloog door Redactie Decamerone 14 Juni 2015

In het kader van het project Surijoods sprak Matthijs van Maltha met Titia Wong, een dame met een Surinaams-Joodse achtergrond. Onder begeleiding van Alexandra Broeder maakte hij een solo over haar verhaal.

Een gesprek over afkomst

“Mijn vader is een Chinees. Hij kon heerlijk koken. In het weekend ging hij naar de Chinese club. Daar ging hij dan kaarten en Mahjong spelen. Chinese spelletjes. En dan bracht hij altijd een grote pan met Chinees eten mee naar huis. Mijn moeder raakte dat nooit aan. Ze at ook niet alle soorten vis. Alleen kabeljauw. Meer dan dat heb ik nooit gemerkt van dat joodse. Toen ik jarig was heeft ze me ooit een joods bord gegeven. Mijn moeder was half joods en half creools. Haar moeder was helemaal joods.

Van mijn joodse grootmoeder weet ik weinig. Ik had altijd in mijn achterhoofd: ik wil wel meer weten over mijn grootmoeder. Ik zou wel meer willen weten over waar ze oorspronkelijk vandaan kwam. Maar ik ben weinig opgeschoten. Ik heb mijn broer gevraagd te helpen. Ik zeg: probeer jij eens te achterhalen bij familie in Suriname of zij iets weten. Dat heeft hij gedaan. De vader van mijn moeders moeder was een joodse apotheker die op Batavia heeft gewerkt. Batavia was een melaatsenkolonie in Suriname.

Ik had een fantastische jeugd. We woonden in een vrijstaand huis. Met een heel grote tuin er om heen. Er waren veel fruitbomen op het erf. Een heel hoge appelboom. Mango’s. Sinaasappelbomen. Kersenbomen. Eigenlijk alle bomen. Als kind zat ik altijd in de hoogste top van de appelboom. Je kan het je nu niet meer voorstellen. Ik was tien.

Over mijn grootmoeder werd niet veel gepraat. Mijn oudste zus, die leeft nog, die is eenentachtig. Kan je je niet nog wat van vroeger herinneren, heb ik haar gevraagd. Van toen je een klein meisje was of zo. Het enige wat ze zich kon herinneren is dat ze op bezoek ging bij mijn oma, en dat ze niet naar binnen mocht. Ze zal een jaar of vier geweest zijn. Ze werd opgetild voor een soort hekwerk, en dan mocht ze zwaaien naar mijn oma. Ze wist niet waarom.

Het enige wat we weten is dat ze jong gestorven is. Ze zal een jaar of eenenvijftig geworden zijn. Ik heb een foto van mijn grootmoeder. Dat is op haar vijftigste verjaardag, met bloemen om haar heen.

Ergens ver weg heb ik me het altijd al afgevraagd. De naam Bles. Zo heette mijn grootmoeder, Bles. Die komt wel voor in lijsten van joodse namen. Maar verder dan dat kwam ik niet. Ik heb achterhaald dat de familie Geerlings ook familie van mijn moeder is. Maar ik weet niet of die Geerlings ook joods zijn.

Ik kan me herinneren dat ik heel vroeger, als kind, wel eens in een synagoge ben geweest. Er waren er in Suriname een stuk of drie. Een is er toen gesloten, het hele interieur is toen naar Israël verscheept. Natuurlijk heel mooi, al dat houtwerk.

Dat kleine beetje afkomst ben ik trots op. Ik heb ook altijd nog een keer naar Israël willen gaan. En ondergaan. Gaan om te ondergaan. Te ervaren wat het eigenlijk is, dat joodse. Ik voel me daarmee verbonden. Dan denk ik: waar komt dat vandaan. Dat moet toch ergens diep van binnen komen.

Ik heb eigenlijk helemaal niets van dat hele joods-zijn meegekregen. Het is alleen dat mijn grootmoeder joods was. Ik ben katholiek, van huis uit. Ik heb nooit aan mijn broers en zusters gevraagd of ze zich joods voelen, eerlijk gezegd. Ik weet ook niet hoe ik iets terug moet vinden. Er is in Suriname ooit eens een grote brand geweest op het bevolkingsregister. Er zijn toen heel veel documenten verloren gegaan. Dan wordt het moeilijk. Heel spijtig. Het is altijd moeilijk om terug te gaan in de tijd.

Ik had een buurvrouw die Pier-Weier heette. Het bleek dat meneer Pier-Weier ten tijde van Napoleon in het leger zat, en toen is gedeserteerd. Mensen die toen deserteerden noemden ze pierewaaiers. Weinig eervol natuurlijk. Maar ze wist het wel. Ik zou dat geweldig hebben gevonden, om dat te weten. Mijn grootmoeder, haar ouders. Of ze broers en zussen had. Waar ze vandaan kwam. Hoe ze daar precies terecht gekomen is. Haar voorouders die moeten daar toch ooit terecht gekomen zijn. Die naam Bles. Ik weet niet eens of je dat met een S schrijft of met dubbele S. In die lijst komt het volgens mij voor met eentje. Bles met een S.

Mijn broer zei dat hij nog een paar foto’s voor me zou meenemen. Hij is gisteren aangekomen. Er was daar een of andere tante die nog wat foto’s had. Ik weet niet wat voor foto’s het zijn. Ik hoop dat dat weer een beetje licht werpt. Misschien weer gewoon familiefoto’s.”

Een verhaal
Terug naar het overzicht