Thema's
Tegenslag

Wij zijn hier

Picture of Bonita
Ontmoetingen door Bonita van Es 27 Oktober 2015

Op een kwartiertje fietsen van Centraal Station staat de vluchtloods. Een somber hok met weinig ramen. De deur staat open. Wij lopen aarzelend naar binnen. Een man komt ons tegemoet lopen en groet ons. Hij stelt zich voor met een zwaar accent. Wij vertellen waarvoor we zijn gekomen, of hij ons iets kan vertellen. Dat kan hij niet, maar opzoek naar iemand die dat wel kan gaat hij zeker.

Meer mannen verzamelen zich rond ons vanuit het pand. Een warm aangeklede zwarte jongen stelt zich aan ons voor als R uit Ghana. Hij wil wel het een en ander aan ons vertellen. Hij zit nu bijna twee weken in de vluchtloods, een kale plek zonder leefruimte, sanitair, verwarming en tot voor kort, elektriciteit. Dit is de nieuwe plaats van de vluchtelingen groep ‘Wij zijn Hier’ nadat ze de vluchttoren in Amsterdam West hebben moeten verlaten.

Eruit moesten zij, omdat de vluchtelingen van Syrië er aan kwamen.

We vragen naar het eten en de voorzieningen. Hij wijst naar de tafel achter ons met daarop twee pakken melk, een krat met salades en enkele ondefinieerbare spullen. Giften? Nee, ze moeten er voor betalen. Twee dagen hebben ze zonder eten gezeten, dat is nu gelukkig anders, maar veel is het niet. Hoe komen ze aan het geld? Op die vraag blijft het antwoord zoek. Een andere man baant zich door ons heen alsof wij niet bestaan. Hij loopt naar buiten met een beker instant noedels in de hand.

West was anders, daar kwamen tenminste nog mensen. Hier op de Vlierweg 30 komt niemand, het is een uitgestorven bedrijven terrein. In West waren er nog studenten van het studentenhotel, die kwamen ’s ochtends wel eens een eitje brengen, wat koffie of een sigaret. Nu is er niemand om mee te praten, te voetballen of om een vriendelijkheidje van te krijgen.

Eruit moesten zij, omdat de vluchtelingen van Syrië er aan kwamen. Ze snappen dat zij niet terug kunnen naar hun land, waar oorlog woed. Maar first come first serve, waarom krijgen de Syriërs nu voorrang op behuizing, waarom krijgen zij alle aandacht terwijl de vluchtelingen van ‘wij zijn hier’ in Noord worden weggestopt? Of is een vluchteling geen vluchteling meer als hij al jaren door Nederland zwerft?

Foto: Fey Lehiane
Twintig verschillende matrassen sieren de kale kamer.

We vragen over het dagelijks leven. Ik wordt met grote handgebaren meegevraagd naar andere kamers in het vertrek. Eens gesloten deuren gaan nu open, om alleen maar slaapzalen te onthullen. Twintig verschillende matrassen sieren de kale kamer, twintig verschillende soorten dekens en lakens verhullen de warm aangeklede mensen die erop liggen. In de hoek van de kamer staat een gitaar. Een laag stof siert het hout, het is een tijdje geleden sinds hij is bespeelt. Het is drie uur ’s middags en de slaapzalen liggen nog vol. ‘Er is hier niks, er is hier niemand. We mogen niet weg om te werken, we kunnen nergens heen. Dus het is slapen, slapen tot er eten is en het beter is’. R steekt een sigaret op, zijn medevluchtelingen volgen ons naar de laatste gesloten deur. Het ‘niet roken’ bordje wordt genegeerd. Terwijl we lopen hebben we het over hoe lang ze al vluchteling zijn. Zes jaar.
In de laatste kamer zitten vier mannen samen een film te kijken op een mobiele telefoon. Ze kijken allemaal vrolijk op als wij binnekomen. We worden vriendelijk gevraagd om de deur achter ons te sluiten vanwege de kou. Er is geen verwarming, iedereen slaapt met zijn kleren aan. Wat hebben zij nu eigenlijk nodig? Een normaal leven, zeggen ze. Een baan, een huis, een vrouw en kinderen. De wil en de hoop is er, maar de mogelijkheid nog niet. We raken in gesprek met één van de jongere jongens. Hij kan niet veel ouder dan twintig zijn. Hij rende thuis halve marathons, nu kan hij niet meer trainen. Het matras verpest zijn rug, zegt hij, en hardloopschoenen zijn te duur. Een andere jonge man vraagt waar wij vandaan komen. Een dorp? Hij houd van dorpen en zou het liefst op een boerderij werken. Of hij mee mag. De neiging om ja te antwoorden is groot.

Het is dan: nee sorry, ik kan niet helpen. Maar ze kunnen wel, ze willen het gewoon niet.

De vluchtelingen willen allemaal werken, zodat ze niet hoeven leven van de vriendelijkheid van andere mensen. Maar het kan niet anders. Frustratie komt op. Nee, Nederlanders zijn niet allemaal zo goed. Ze glimlachen vriendelijk ‘hoe gaat het’ maar hun hart glimlacht niet mee. ‘Het is dan: nee sorry, ik kan niet helpen. Maar ze kunnen wel, ze willen het gewoon niet’. De media krijgen er ook flink van langs. Ze komen voor hun verhaal, voor hun interview. Ze verdienen geld aan hun stukje tekst, maar iets teruggeven doen ze niet. ‘Ze komen één keer en dan zie je ze nooit meer.’ Wij weten niet wat we moeten zeggen. De mannen voelen de spanning en bieden een kopje thee aan. Ze kloppen vriendelijk op hun matrassen ‘kom toch zitten’. Met alle moeite proberen ze nog de dekens netjes op te vouwen, zodat het er comfortabel uitziet.
Simpele dingen hebben ze nodig: verwarming, eten maar ook beltegoed. Er wordt gewezen naar R. Een jonge man uit Libië begint met een boze stem te praten. ‘Mensen willen niet betalen voor je. Naar Afrika bellen is te duur!’ Maar R heeft zijn moeder al twee weken niet gesproken. ‘Ze is ziek. Een zieke moeder moet je elke dag bellen.’
We staan op en gaan er vandoor. We schudden vele mensen een hand en worden met vele lachende gezichten nagekeken. Buiten verandert de sfeer toch een beetje. Zodra we onze fietsen hebben gepakt wordt er sneller gedag gezegd.
Wanneer we zeggen dat we terug zullen komen worden we niet geloofd.

Wij zijn hier
Terug naar het overzicht